De dictatuur van het getal

We leven in een kenniseconomie, waarin kennis en vaardigheden de belangrijkste valuta vormen voor een rijk en succesvol bestaan. In onze drang naar meetbaarheid en controle zijn er talloze maatstaven ontwikkeld om inzicht te krijgen in de capaciteiten van een individu. Hoewel deze maatstaven richting kunnen geven, worden ze vaak overschat. Zo is een CITO-score enorm bepalend voor iemands verdere ontwikkeling, wordt het IQ beschouwd als de ultieme graadmeter voor intelligentie, en is cum laude afstuderen vaak een doel op zich geworden. Wanneer nuance en persoonlijke waarden ontbreken, lopen we echter het risico om het getal tot een dictatuur te verheffen.

Je bent wat je scoort

Kun je je dat moment nog herinneren, ergens tijdens het laatste schooljaar van groep 8, toen je het eerste hokje van de CITO-toets aankruiste? Het was een spannend moment waarvoor je het hele schooljaar, en tegenwoordig vaak al in eerdere jaren, werd voorbereid. Dit was hét moment om te laten zien wat je in huis had.

Misschien klinkt dat een beetje overdreven, totdat je terugdenkt aan het moment waarop de uitslag kwam en de bijbehorende adviezen werden gedeeld. Je wist wat het zou betekenen: deze score bepaalde grotendeels naar welk niveau van de middelbare school je zou gaan. In mijn tijd (dit was in 2008) kreeg je bij een score tot 520 een VMBO-advies, tot 540 een HAVO-advies, en tot 550 een VWO-advies. Hoewel deze scores officieel slechts richtinggevend waren, weken de meeste mensen nauwelijks af van het advies dat op basis van die score werd gegeven. De getallen waren belangrijk.

Ikzelf behaalde een score van 548, de op een na hoogste score van de klas. Goed dat ik me voelde! Ook al kan ik niet ontkennen dat ik lichtelijk teleurgesteld was dat ik niet de eerste plek had bemachtigd.

Eenmaal op het VWO terecht gekomen werd ik omringd met 549’ers en 550’ers. Zo speciaal was ik blijkbaar niet. Maar, niet getreurd: er zouden in de komende zes jaar nog genoeg momenten komen om hogere cijfers te halen dan anderen. En bij elke toets werd het dan ook al gauw een competitie: wie haalde het hoogste (en zeker niet het laagste) cijfer.

Cijfers als schijnwerkelijkheid

Tijdens mijn jaren in het onderwijs – van de basisschool tot aan de universiteit – bepaalden cijfers mijn werkelijkheid. Ze weerspiegelden mijn vooruitgang en bepaalden of ik mocht doorgaan naar het volgende jaar of, in het ergste geval, een jaar of vak opnieuw moest doen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daardoor bij veel toetsen veelal bezig was met het behalen van een bepaald cijfer, in plaats van op het daadwerkelijk leren van iets waardevols. En ik vermoed dat ik niet de enige was.

Het gebruikelijke streven was óf minimaal een 5,5 – want dan hoefde je je geen zorgen te maken dat je niet mocht doorstromen naar een volgend jaar – óf een 8, omdat dat simpelweg “goed stond”. Een 5,4 en een 7,9 voelde daarentegen als een teleurstelling; bij de een natuurlijk wat meer dan bij de ander. Of ik nu scoorde wat ik voor ogen had of niet, de constante focus op het cijfer zorgde ervoor dat ik een week later praktisch alle stof alweer vergeten was. Het moment wat er toe deed, de toets, was immers voorbij.

Zonde, bedenk ik me nu nog vaak. Mijn werkelijke interesse in schoolse onderwerpen kwam pas ver nadat ik de bijbehorende vakken had afgerond. Ik herinner me bijvoorbeeld hoe ik tijdens het lezen van een boek over sociale geografie plots dacht: dit had ik ook al kunnen inzien bij aardrijkskunde, maatschappijleer en geschiedenis! Maar toen ik op school zat, ontging mij die connectie volledig. Het verschil lag in mijn motivatie. Tijdens mijn schooltijd werd ik vooral extrinsiek gemotiveerd: de drang naar cijfers. Pas later in mijn leven begon intrinsieke motivatie te domineren: een oprechte wens om te begrijpen hoe dingen werken.

Extrinsieke motivatie stimuleert voornamelijk ons kortetermijndenken. Ons brein wordt daarbij overstroomd door dopamine, gedreven door externe beloningen of erkenning, zoals cijfers, geld, of lof van anderen. Deze vormen van motivatie meten de waarde van wat we doen op een oppervlakkige manier. Intrinsieke motivatie daarentegen zet ons aan tot langetermijndenken. Hierbij is de motivatie diepgeworteld in onze persoonlijke interesses en waarden. In plaats van externe prikkels, draait het om wat een activiteit ons intern oplevert, zoals voldoening, plezier, of het gevoel van betekenis.

Ik herinner me nog goed dat ik ooit een toets aardrijkskunde had waarvoor ik zó geïnteresseerd was in de stof en zó goed had voorbereid, dat de toets zelf en het cijfer me eigenlijk niet zoveel konden schelen. Het was simpelweg een genot om me te verdiepen in de wereld van platentektoniek. Tot op de dag van vandaag kan ik met passie vertellen over de werking van subductie en de enorme gevolgen die dat proces heeft voor onze planeet. Dat was een moment waarop intrinsieke motivatie de boventoon voerde – en het maakte alle verschil.

“In plaats van externe prikkels, draait het om wat een activiteit ons intern oplevert, zoals voldoening, plezier, of het gevoel van betekenis.”

Vaker doelgericht evalueren

Begrijp me niet verkeerd: ik ben groot voorstander van evalueren. Sterker nog, ik denk dat we veel vaker zouden moeten evalueren dan nu gebruikelijk is. Waar ik echter geen voorstander van ben, is een evaluatie die uitsluitend wordt samengevat in een cijfer, nadat de grote boze rode stift de foutieve antwoorden van de correcte heeft onderscheiden.

Evalueren is pas echt waardevol wanneer het een integraal onderdeel is van het leerproces, en niet slechts iets wat aan het einde plaatsvindt. Als je toewerkt naar één moment waarop je kennis wordt getoetst, is dat slechts een momentopname. Je evalueert dan alleen dat ene moment, zonder rekening te houden met het proces dat eraan voorafging.

De kracht van leren zit verborgen in de herhaling van en verdieping in de materie. Zoals de Amerikaanse professor Adam Grant stelt: “Alleen als je beseft dat je fout zit, weet je zeker dat je iets hebt geleerd.” ¹ Wanneer je pas na het laatste fluitsignaal te horen krijgt of je goed of fout zit, mis je de kans om bij te sturen of met meer vertrouwen verder te gaan in de juiste richting. Helaas, game over – better luck next time.

Juist om meer zekerheid te krijgen over een passend eindresultaat, werken steeds meer organisaties tegenwoordig agile. Het draait hierbij om flexibele samenwerking, waarbij een product door middel van verschillende iteraties steeds beter wordt afgestemd op de behoeften van de eindgebruiker. Op meerdere momenten in het proces, nog voordat het eindproduct wordt opgeleverd, pauzeert het team om gezamenlijk het tot dan toe geleverde werk te evalueren. De centrale vraag daarbij is: sluit dit aan bij het einddoel dat we voor ogen hebben?

Al werkende verandert vaak de visie op het gewenste eindproduct. De proactieve flexibiliteit van agile werken maakt het mogelijk om deze veranderende inzichten te integreren, waardoor het eindresultaat steeds beter aansluit op de behoeften en verwachtingen van de gebruiker.

“Evalueren is pas echt waardevol wanneer het een integraal onderdeel is van het leerproces, en niet slechts iets wat aan het einde plaatsvindt.“

Herkennen en gebruik maken van elkaars kennis

Ik herinner me nog goed dat de moeder van een middelbare schoolvriend tijdens een discussie over afkijken zei: “Ja, je zult ervoor gestraft worden, maar ik ben eigenlijk wel voor het gebruiken van elkaars kennis.” Die woorden zijn me altijd bijgebleven, omdat ze het karakter van het onderwijs duidelijk weergeven: individualistisch en gericht op het afstraffen van fouten. Misschien klinken deze woorden wat hard, maar wellicht begrijp je de essentie. Helaas heb ik als oud-leerling en -student nooit een vak gevolgd waarin effectieve samenwerking en communicatie centraal stond. In mijn carrière als organisatieadviseur weet ik dat juist samenwerking, evalueren en inspelen op verandering, de thema’s zijn waar het in organisaties vaak aan schort. Ik zie het als oorzaak-gevolg.

Als agile werken consequent al vanaf de basisschool in het onderwijs toegepast zou worden dan werkt dit wellicht proactief door in de mindset van de toekomstige student en werknemer. Van minder belang zijn dan een hogere score voor een toets dan je klasgenoot, de hoogte van je IQ of het al dan niet cum laude afstuderen. Wat voor organisaties écht telt om tot een goed eindproduct voor de gebruiker te komen is:

  • Effectief kunnen samenwerken, o.a. door het herkennen én erkennen van ieders sterke kwaliteiten.
  • Doelgericht evalueren.
  • Flexibiliteit en aanpassingsvermogen ten aanzien van veranderingen.

Hét middel om deze drie elementen goed te beheersen is open en eerlijke communicatie. En dat kun je leren. Het begint met oprechte aandacht voor elkaar.

¹ Grant, A. (2021). Think again: The Power of Knowing What You Don’t Know. Ebury Publishing.

Dit blog is geschreven door:

Axel Mpeti

Axel Mpeti

Consultant | Trainer | Content

Naast consultant en trainer, is Axel binnen Semco Style Institute verantwoordelijk voor methodologische en marketing-gerelateerde content, met als doel de verrijking van de Semco Style filosofie.

Op zoek naar meer inspiratie?

Het is onze missie om mensgerichte organisaties te bouwen. We doen dit onder andere door het aanbieden van programma’s en evenementen. Bekijk hier ons evenementenoverzicht en laat je inspireren.

Loading...